Huub Oosterhuis bij overlijden prins Claus

oosterhuisDe keus om Huub Oosterhuis te vragen op de uitvaart van prins Claus was opmerkelijk. De 68-jarige voorganger van de Amsterdamse Studenten-ekklesia is niet Nederlands hervormd en ook niet luthers maar pater jezuïet en rooms-katholiek priester tot 1969. De overdenking die door hem op dinsdag 15 oktober 2002 zijn uitgesproken maakte diepe indruk. De oproep tot medemenselijkheid en solidariteit, raakte een gevoelige snaar. Uit de gesprekken en de lezing van psalmen kwam ook de titel voor een nieuwe gedichtenbundel voort, Wie bestaat.

Het was moedig dat priester Oosterhuis de zwarte tijden in het leven van prins Claus niet onbesproken liet. Hij sprak over zijn depressies, “het meest verschrikkelijke wat een mens kan overkomen”. Prins Claus kon dit leed niet verbergen, zo heeft hij gezegd, en hij wilde dat ook niet, zei Huub Oosterhuis. De voorganger memoreerde ook hoe prins Claus de oplossing voor de problemen in de wereld zag: hij sprak, aldus Oosterhuis, over solidariteit, toen het erop leek dat dit woord uit de Nederlandse taal was geschrapt, alsof niemand zich daar nog iets bij kon voorstellen. Oosterhuis gaf Claus daarmee postuum een stem en wist de overdenking op een voorname wijze te gebruiken om de boodschap van Claus nogmaals te benadrukken.

Letterlijke tekst van de overdenking door Huub Oosterhuis

Deze geboren vreemdeling
op vijandelijke bodem getogen,
terzij van fonkelende zonen, neven,
uitgelezen schonen
toont hij zijn wonden
spreekt zijn woorden
deze dichter zonder landstaal
deze blanke zwarte blanke
oudere broer van miljoenen
deze geboren koning.

Zwart als git wordt het licht – loodzwaar hangen de wolken – iedere helling te steil, ach olijven je smaakt me niet meer: dat is hem overkomen. Hij heeft daar zelf voor de televisiecamera’s – waar hij niet zo van hield – iets over gezegd, toen hij zestig werd, in 1986. Hij noemde psychische depressies ,,het meest verschrikkelijke wat een mens kan overkomen”. Het was hem aan te zien geweest, dat wist hij heel goed, maar hij kon het niet verbergen, zei hij, en wilde dat ook niet. Hij citeerde het Duitse spreekwoord ,,leugens hebben korte benen”; je kunt maar beter de waarheid zeggen, uit respect voor de mensen die met je meeleven. En uit solidariteit met de mensen die het ook overkomt. Hij wist zich één van die velen.

Op 15 mei 1991 sprak hij de Wereldconferentie voor Internationale Ontwikkeling toe, hij zei: ,,Er kan geen sprake zijn van een menselijke toekomst die het waard is geleefd te worden als die niet berust op werkelijke internationale solidariteit”. Solidariteit, zei hij, toen het erop leek dat dat woord uit de Nederlandse taal was geschrapt, alsof niemand zich daar nog iets bij kon voorstellen. Hij wel.

De liturgie van deze uitvaart bestaat bijna helemaal uit bijbelcitaten, korte fragmenten uit dat prachtige, moeilijke joodse boek dat van alle schakeringen van christelijke godsdienst de bron is, en het ijkpunt zou moeten zijn. Zo is de traditie der kerken: dat zij voorlezen en zingen uit de bijbel. En zo ook dit uur.

Claus was niet zo’n kerkganger. Het woord “God” kwam niet over zijn lippen. Iedere dogmatische stelligheid was hem vreemd. Hij had meer vragen dan antwoorden, zoals veel buitenkerkelijke christenen. Over mogelijke religieuze ervaringen sprak hij niet. En aan de lutherse kerk van zijn jeugd bewaarde hij gemengde gevoelens. Over het zogenoemde Oude Testament hoorde hij pas op volwassen leeftijd; officieel bestond dat boek niet in het Duitse derde rijk tussen 1933 en 1945. En dat Jezus een jood was werd door de kerken verdonkeremaand, niet alleen daar.

In zijn latere levensjaren heeft Claus contact gezocht met dat gemiste boek en gekregen – en hij herkende het grote Bijbelse verhaal. “In den beginne was het woord”, werd ons voorgelezen. Welk woord was in den beginne?

Wie de joodse uitlegtraditie van de bijbel ondervraagt, krijgt te horen dat in den beginne de Thora bij God was, nog voor hij hemel en aarde schiep. “Thora betekent woord dat mensen richting wijst” opdat zij een leven zullen hebben dat het waard is geleefd te worden.

“In den beginne was het woord” is geen filosofische uitspraak maar een profetische stem die ons zegt dat wij elkaar zullen respecteren en menswaardig bejegenen: heb liefde voor de mens die naast je. Liefde niet bedoeld als een warm gevoel maar als praktische solidariteit: dat je een ander mens niet laat stikken, barsten, verhongeren, martelen, verdwijnen. “Heb lief de vreemdeling”, is de toespitsing van het woord over de naasten. De vreemdeling is de naaste bij uitstek; jaag hem niet op, jaag haar niet weg, zo staat geschreven. Zij hebben dezelfde rechten als jij (Leviticus 19, vers 34).

Zonder deze thora zal er geen menselijke toekomst zijn die het waard is geleefd te worden. “Licht” is een beeld voor die toekomst, “voor een wereld waar mensen waardig leven mogen”. God sprak in den beginne: er zij licht.

Het woord “God” komt ons in kerkdiensten vaak te makkelijk over de lippen. Weten we wie we daarmee bedoelen? We zouden kunnen afspreken dat we met “God” bedoelen die Ene, die in de joodse bijbel en in de geschriften over Jezus de pleitbezorger is van vluchtelingen, ballingen, van mensen wier rechten geschonden worden; die solidariteit en gerechtigheid wil liever dan adoratie en mooie liederen. Zo staat geschreven (Amos 5, vers 21-24) in dat boek dat van alle schakeringen van christelijke godsdienst de bron en het ijkpunt zou moeten zijn.

Claus begreep heel goed waarom de stem van dit boek niet gehoord mocht worden in de jaren van zijn jeugd. En hij vond het een wonder dat het nog bestaat, dat visioen van recht en gerechtigheid. Hij heeft een leven lang geprobeerd aan deze grote woorden concrete inhoud te geven, onuitputtelijk vindingrijk.

Hem overkwam het meest verschrikkelijke wat een mens kan overkomen, zei hij in 1986; aardedonker de zon. En daarna overkwam het hem weer en volgde de afbraak van zijn lichaam en van zijn spraakvermogen. Dat alles heeft hem, zelfs in de zwaarste maanden, niet tot een bitter en cynisch mens gemaakt, en niet zielig. Alsof er iets was dat er tegen opwoog, iets dat sterker was dan de pijn. Dat was zijn gehechtheid aan het leven en zijn onvoorwaardelijke verbondenheid met U, zijn vrouw en met jullie, zijn kinderen. Op koninginnedag van dit jaar keken wij op zijn kamer in het AMC naar de televisie. Het bezoek van de Koninklijke familie aan Hoogeveen en Meppel. Het geluid stond zacht. Daar zijn ze, zei hij, moet je ze zien! Ze doen het goed. En daar stond ik, wees hij, dat was mijn plaats, naast haar. Hij straalde. In mijn jonge jaren, zei hij, wist ik niet waar ik nu eigenlijk bij hoorde; bij Duitsland, bij Afrika, en toen kwam Nederland er ook nog bij. Maar nu hoor ik bij hen.

De God die mensen gebiedt en smeekt zich over elkaar te ontfermen, wordt in de bijbel bezongen als “een schoot van ontferming”. Als trouw en erbarmen in persoon. Zo ook in het lied dat voor deze uitvaart gekozen werd. Dat wij het zingen in het Duits, – er is ook een Nederlandse versie, op dezelfde melodie – dat is om hem te eren die als Duitser in staat was Nederlandse oorlogswonden te genezen.

“Neem mijn handen, leid mij ten einde toe”.

Claus hoopte dat ook dat hem overkomen zou.