1900-1914; industrialisatie en verzuiling

Het begin van de twintigste eeuw was een periode van sterke industrialisatie in Nederland. Er ontstaan nieuwe structuren en mensen worden zich bewust van hun eigen kracht en invloed. Er is een koortsachtig streven naar rijkdom en vernieuwing leidde in korte tijd tot een snelle vooruitgang. We zien verschillende politieke stromingen die partijen gaan organiseren. De socialisten komen op voor de arbeiders, zij werden tot dan toe achtergesteld vond men. Ook arbeiders moeten voor hun rechten op kunnen komen bijvoorbeeld door vakbonden toe te staan. Volgens de liberalen is iedereen is gelijk. Als de mens zich economisch, politiek en geestelijk vrij kan ontplooien komt het beste in hem naar boven. Naar eigen inzicht geluk nastreven leidt tot een ideale, harmonieuze samenleving. De staat moet zich zo weinig mogelijk bemoeien met de samenleving.
Nederland was al met al dus verdeeld in 4 stromingen ( rooms-katholieken, protestanten, socialisten en liberalen) en iedereen werd geboren binnen een van deze zuilen. Dit had behoorlijke invloed op je opvoeding, de school, de winkels waar je kocht, de muziekvereniging, eigenlijk je hele leven… Dit leidde ook tot de bekende schoolstrijd. De overheid gaf geld aan openbaren scholen om onderwijs te verzorgen, veel christelijke mensen willen echter eigen scholen oprichten, maar ze moeten alles zelf betalen. Tijdens de schoolstrijd gaat het er om of christelijke scholen ook geld krijgen van de overheid voor het onderwijs. De christelijke groepen richten in die tijd partijen op om sterker te staan zo ontstaan de ARP (protestants christelijk) en de RKSP ( rooms katholiek). In het begin van de 20e eeuw was er nog censuskiesrecht (Je moest een bepaalde hoeveelheid belasting betalen om te mogen stemmen, dat betekende dat arme mensen niet kunnen stemmen) De socialisten streven naar algemeen kiesrecht (alle mannen boven een bepaalde leeftijd mogen dan stemmen).
Een belangrijk moment in de Nederlandse politiek was de Politieke “vredesluiting” in 1917. Dit was een “deal” tussen de socialisten en de confessionele groepen. De confessionele partijen wilden graag geld van de overheid voor hun scholen (de schoolstrijd). De socialisten wilden graag algemeen mannenkiesrecht. De confessionelen stemden voor algemeen kiesrecht in ruil voor geld voor het christelijk onderwijs.

Belangrijke personen:

Aletta Jacobs (1854-1929)
Eerste vrouwelijke student aan de universiteit en later de eerste vrouwelijke arts. Zij streefde ook naar emancipatie van de vrouw en naar vrouwenkiesrecht.
P.J. Troelstra (1860-1930)
Oprichter van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Dit is de voorganger van de huidige PvdA. Zij streven naar algemeen mannenkiesrecht en een 8 urige werkdag.
A. Kuyper (1837-1920)
Leider van de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Dit was een protestants christelijke partij. Hij was een invloedrijk politicus die vooral veel van zich liet horen in de schoolstrijd.